Herman Speyer

(Joanne’s vader) was Engelandvaarder en werkte voor Bureau Inlichtingen (BI). Hij is op  22-6-1913  in ’s Gravenhage geboren en op 21-11-1998 in Jeruzalem overleden.

Oorlogsjaren

Mobilisatie

Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak, was 2de luitenant Herman Speyer volgens zijn mobilisatie-bestemming commandant troependetachement groep Alkmaar Vesting Holland, en misschien nog belangrijker, inlichtingenofficier. Hij had een enveloppe met instructies gekregen om te openen zodra de oorlog zou uitbreken. Hierin bevond zich onder meer een lijst van verdachte personen in zijn provincie (uitgezonderd Amsterdam). Het waren veelal NSB’ers, die zo snel mogelijk opgepakt dienden te worden. Na hun arrestatie werden deze personen in schoollokalen ondergebracht, maar na de capitulatie kreeg hij opdracht ze weer vrij te laten.

Verzet

Zijn huis in Zoetermeer werd in beslag genomen, een kapitein der artillerie, die hem bij de arrestaties had geholpen, werd gearresteerd. Speyer was getuige bij de rechtszaak die tegen de kapitein werd gevoerd onder leiding van de Belgisch/Nederlandse collaborateur en openbaar aanklager Robert van Genechten, maar werd daar zelf beschuldigd van het arresteren en seksueel misbruiken van een nichtje van Mussert. Een bode in de rechtszaal hielp hem via een zijdeur te ontsnappen, waarna hij onderdook in een leegstaand huis aan de Sportlaan. Hij moest nog een aantal keer verhuizen en kwam uiteindelijk terecht in de Van Soutelandelaan 43. Ook zijn moeder, schoonmoeder en de Leidse student Van der Schriek kwamen daar wonen. Onderwijl verzamelde hij gegevens over de Duitsers en gaf die door aan de Ordedienst. Ook begon hij met wat vrienden ontsnappingslijnen op te zetten. Op een dag werd het huis door de Duitsers binnengevallen. Zijn schoonmoeder en de Leidse student werden meegenomen en overleefden de oorlog niet.

Vertrek uit Nederland

Van Genechten was natuurlijk geïrriteerd dat Speyer was ontsnapt en had een opsporingsbevel uitgegeven. Speyer besloot naar Engeland te gaan. Met een vriend en twee anderen nam hij de trein naar Breda. Te voet staken zij via de Van Niftrik-route de Belgische grens over, waar zij een Duitse patrouille tegenkwamen. Omdat de vier Nederlanders grote pistolen hadden, fietsten de Duitsers snel weer weg. Met een trammetje gingen ze naar Antwerpen en vandaar met de trein naar Brussel. Ze bleven enkele dagen op hun contactadres en werden toen afgehaald door een jonge vrouw die zich Sara noemde. Zij gaf hen een Belgisch identiteitsbewijs, wat Belgisch en Frans geld en een adres in Parijs. De treinreis naar Parijs verliep voorspoedig en de flat aan de Rue de la Petite Arche 8 werd gemakkelijk gevonden. De volgende ochtend was er een Duitse inval in het flatgebouw. Hij kon nog net op tijd vluchten. Via een drukkerij van illegale krantjes kwam hij op een bus die hem Parijs uitreed. Bij Châlons werd zijn bus aangehouden. Met vijf anderen werd hij meegenomen naar een soort gevangenis, waar ze werden ondervraagd. Hij werd uitgekleed en mishandeld, maar kon geen contactadressen opgeven. Hij werd naar een zolderkamer van de gevangenis gebracht, waar nog enkele gevangenen zaten. Niemand bleek van plan te zijn om te ontsnappen.

Ontsnapping

Een bewaker had hem die middag terloops verteld in welke richting het nog niet bezette deel van Frankrijk was. Met een nagelvijltje maakte hij een tralie los. Geen van de andere gevangenen wilde mee, maar toen hij beloofde hun familie te berichten, hadden ze er geen bezwaar tegen dat hij zou proberen te ontsnappen. Hij knoopte wat dekens en lakens aan elkaar en klom die nacht naar buiten. Nadat hij ook over de muur was geklommen, rende hij de vrijheid tegemoet. Doordat hij een stuk in een sloot had gelopen, raakten de honden zijn spoor kwijt. Hij vond een boer die hem een weggetje wees naar het onbezette Frankrijk een veilig adres aldaar. Bij de Gendarmerie werd hij opgevangen. In Macon werd hij verhoord, waarna hij daar in een opvangcentrum terechtkwam. Van de ongeveer dertig andere ‘gevangenen’ bleken er velen al weken, soms maanden te zitten.

Speyer schreef een briefje aan een bevriende kapitein bij het Ministerie van Nationale Verdediging in Vichy en het lukte hem een bewaker te vinden die de brief wilde versturen. Enkele dagen later werd hij naar de Prefectuur in Lyon gebracht. Hij werd ondergebracht bij een boer in Chauffailles en moest zich wekelijks in Lyon melden. Hij raakte bevriend met de abbé Digoy uit het dorp en raakte betrokken bij het Franse verzet. Speyer liet zich onder de naam Dupont inschrijven in het dorp en kreeg een Frans persoonsbewijs. Hij had ook nog een persoonsbewijs met de naam Schmidt en geboorteplaats Straatsburg. Via Annemasse ging hij naar Zwitserland, maar daar werd hij weer opgepakt en weer naar Frankrijk uitgewezen. Daar werd hij weer ondervraagd, ditmaal door Duitsers. Ze brachten hem terug naar Chauffailles in een poging zijn identiteit te verifiëren. De burgemeester begroette hem hartelijk waarop de Duitsers hem wel moesten vrijlaten.

Perpignan

Na overleg met Maurice Jacquet in Lyon besloot Speyer naar Spanje te gaan. De bestaande ontsnappingsroute naar Zwitserland moest voorlopig niet meer gebruikt worden en met de lijn naar Spanje hadden ze problemen omdat steeds nieuwe contactadressen gezocht moesten worden. Hij ging naar Perpignan en meldde zich bij de Nederlandse consul en verzetsman Joop Kolkman. Daarmee besprak hij de heersende problemen. Terug in Lyon maakte hij plannen om de lijn naar Spanje te verbeteren. Medio november 1942 was hij weer in Perpignan. In zijn hotel hoorde hij dat er in Lyon een Kommandatur was ingericht. Daags erna werd hij in zijn hotel verhoord. Hij moest in zijn kamer blijven, en er werd een wacht bij zijn deur gezet. Hij kon echter via een raam vluchten. Met een kabeltreintje ging hij de Pyreneeën in naar het dorp Prats de Mollo waar hij een introductie had bij de pastoor.

Borgtocht

De groep waarmee hij verder de bergen mee doortrok, bestond uit ongeveer 30 personen, inclusief twee Nederlanders. Voor de bergtocht kregen ze wat suikerklontjes, en velen kochten een flesje cognac. Het werd ontraden iets van bagage mee te nemen. Drie Franse passeurs wisselden elkaar af voordat er een Spaanse passeur verscheen. Onderweg waren al veel mensen achtergeraakt. Iedere passeur vroeg extra geld voordat hij de groep meenam. De Spanjaard had wat wijn en brood meegenomen. De laatste passeur wees hen de richting van het laatste stukje van de route. Ze waren nog maar met z’n vieren, de drie Nederlanders en een Argentijn! Ze begonnen te roepen, maar niemand kwam tevoorschijn. Waren de anderen verdwaald? Ze moesten verder, want het werd donker. Bij een boer kochten ze een schaap. Ze maakten een vuur en hadden eindelijk weer eens te eten. Daarna mochten ze in een kleine stal slapen. De volgende ochtend namen ze een posttreintje naar Barcelona. Daar verdween de Argentijn. Ary Kriens, de Nederlandse consul, werd bezocht maar had geen belangstelling voor hun verhaal. De Britse consul voorzag hen van een noodpaspoort zodat ze naar Madrid konden doorreizen.

 

Madrid

In Madrid werd het noodpaspoort weer ingeleverd bij de Britse ambassade. Het Nederlandse gezantschap vroeg Speyer om in Madrid te blijven om te helpen de opvang van alle Nederlanders te verbeteren, d.w.z. huisvesting, kleding, voeding en geld. Hij probeerde ook verschillende Nederlanders uit de Spaanse gevangenissen te krijgen.
Begin 1943 kwam er een telegram uit Londen die Speyer verzocht zo snel mogelijk naar Engeland te komen. Met de trein vertrok Speyer naar Lissabon, waar hij in Cascais te eten werd gevraagd bij mevrouw Harinxma thoe Slooten, de echtgenote van de consul, die op dat moment in Londen was. Zijn KLM-vlucht naar Bristol was geboekt, maar iemand anders kreeg voorrang en Speyer moest enkele dagen in Lissabon wachten. Het KLM-vliegtuig werd neergeschoten.

Londen

Na aankomst werd Speyer eerst uitgebreid door de Engelsen ondervraagd op de Patriotic School en door Oreste Pinto op Eaton Square. Daarna werkte Speyer drie jaar lang bij Bureau Inlichtingen, dat in november 1942 was opgericht en onder leiding stond van reserve-majoor H G Broekman. Diens gezondheid liet hem in de steek zodat hij in juli 1943 werd opgevolgd door majoor J M Somer, geholpen door luitenant Gijs de Jong.

Bij het theebezoek aan de koningin was haar secretaris François van ’t Sant aanwezig. Daarna volgde een bezoek aan minister-president P S Gerbrandy in het Brown’s Hotel in Dover Street, waar hij woonde.

Na de oorlog

In 1992 beschreef hij zijn belevenissen in “Nederlanders in bezet gebied en in Londen 1940-1945 : Hoe het was, hoe het begon en hoe het eindigde”.
In 1993 deed hij mee aan het VPRO-programma “Aardse Zaken” met Bram Grisnigt, Leen Pot, Frans Dijckmeester, Maarten Cieremans en Gijs de Jong.

Bron: Wkipedia

Sluit Menu